Obstipatie – informatie voor zorgverleners

Laatst bijgewerkt op 19 februari 2018

Omdat de darmspier en sluitspier niet aangedaan raken is obstipatie (verstopping) geen direct gevolg van ALS, PSMA en PLS. Toch hebben veel patiënten last van obstipatie. Dat kan komen door veranderde voeding en vochtinname, medicijnen en minder beweging. 

Obstipatie leidt tot een vol gevoel, buikpijn en kan soms ook de ademhaling moeilijker maken. Het is belangrijk obstipatie op tijd te behandelen zodat intensieve behandeling met bijvoorbeeld klysma’s (darmspoeling) voorkomen kan worden.

De oorzaak van obstipatie

Obstipatie komt bij ruim de helft van de ALS-patiënten voor. Er is een aantal mogelijke oorzaken:

  • Verminderde vochtinname als gevolg van slikproblemen of angst voor incontinentie
  • Veranderde voeding met minder vezels
  • Verminderde fysieke activiteit
  • Gebruik van medicijnen zoals morfine, amitriptyline, baclofen
  • Verminderde kracht om te persen

De behandeling van obstipatie

Afhankelijk van de oorzaak bestaat de behandeling van de obstipatie uit:

  • Een goede houding, privacy en de persoon niet opjagen tijdens de toiletgang. Een fysiotherapeut kan advies geven over houdingen en hoe de spieren het beste gebruikt kunnen worden.
  • Dieetadviezen: Regelmatig drinken helpt bij het voorkomen van obstipatie. Ook hebben bepaalde voedingsmiddelen een mogelijk laxerend effect, zoals pruimen of pruimensap. De diëtist kan hierover adviseren. Bekijk het infoblad obstipatie voor meer informatie over obstipatie en eetpatronen.
  • Herbeoordeling van medicatie welke de obstipatie kan veroorzaken.
  • Laxeermiddelen

Laxeermiddelen

  1. Bij ALS is er voorkeur voor vezelgebaseerde laxeermiddelen. Deze absorberen water in de dikke darm en geven minder gasvorming in de darmen dan andere middelen. Belangrijk is dat er voldoende vochtinname is bij het gebruik van deze laxeermiddelen. Dit middel kan ook via een voedingssonde ingenomen worden.
  2. Andere laxeermiddelen zijn osmotische laxantia, zoals movicolon (macrogol). Deze middelen verhogen het vochtgehalte in de stoelgang en houden de stoelgang zacht. Wanneer het innemen van vloeistof moeilijker is, hebben deze middelen soms de voorkeur. Deze middelen kunnen via een voedingssonde ingenomen worden.
  3. Als eerdergenoemde middelen onvoldoende helpen, schrijft de arts contactlaxantia of stimulerende middelen voor, zoals bisacodyl. Deze middelen verhogen de darmbeweging door directe chemische werking ter hoogte van het darmslijmvlies. Ze zijn te verkrijgen in tabletvorm of zetpil. De tabletten werken na 6 tot 12 uur, de zetpillen binnen het uur. Deze middelen verhogen de normale peristaltische beweging van de darm en zorgen dat de ontlasting sneller en krachtiger wordt voortgeduwd. Dit kan wel gepaard gaan met buikkrampen.
  4. Een vierde groep zijn de laxeermiddelen die rectaal, via de anus, worden toegediend, de klysma’s. Deze zorgen voor een ontspanning van de sluitspier. Afhankelijk van de ernst van de obstipatie beoordeelt de arts welk klysma nodig is.

Het is van belang om op de hoogte te zijn van de frequentie en aard van de ontlasting van de patiënt voorafgaand aan de ziekte en van eventuele voedingsaanpassingen naar aanleiding van de klachten.

Preventief laxeerbeleid

Een preventief laxeerbeleid kan veel ellende voorkomen. Streef, ook bij een bedlegerige patiënt, naar gereguleerde defecatie door gebruik van bisacodyl 1 dd 10 mg supp.of natriumlaurylsulfoacetaat 1 dd 5 ml rectaal in combinatie met macrogol/elektrolyten 1-2 sachets dd. Binnen 15-20 minuten na toediening van natriumlaurylsulfoacetaat vindt meestal defecatie plaats. Voeg magnesiumoxide 1-3 dd 500 mg of lactulosestroop/-poeder 1 dd 15-30 ml/12-24 g toe, indien het effect hiervan onvoldoende is of als de patiënt opioïden gebruikt.

Beleid bij diarree

Indien er sprake is van diarree bij een immobiele patiënt is het essentieel algemene preventieve maatregelen te nemen om de huid te beschermen.

Indien er sprake is van paradoxale/fausse diarree:

  1. Onderken medicatie die obstipatie veroorzaakt.
  2. Laxeer, gemiddeld 3 dagen achtereen met 3 dd 1000 mg MgO in combinatie met een klysma (docusaat/dioctyl) waarbij de geïmpacteerde feces worden verweekt. Dit klysma dient zo hoog mogelijk te worden toegediend.
  3. Pas gebruik van laxeermiddelen aan.

Indien er sprake is van ‘echte’ diarree:

  1. Sluit behandelbare oorzaken uit.
  2. Staak laxantia gedurende 24 uur.
  3. Verminder daarna de dosering met een derde.
  4. Start loperamide bij onvoldoende effect: zo nodig 2 mg na iedere keer diarree, tot 8 dd.

Bij diarree kan er een risico zijn op een urineweginfectie, zoals een blaasontsteking, zie NHG standaard urineweginfecties.

Drs. Esther Kruitwagen
  • Coordinator voor implementatie innovatie in zorgnetwerk, ALS zorgnetwerk nederland en ALS zorg team, UMC Utrecht

Ik ben revalidatiearts in het ALS behandelteam van het UMC Utrecht en doe onderzoek naar kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven van patiënten.

Heeft u feedback op dit artikel? Laat het ons weten.